Home
  Nieuws
  SLV
  Geschiedenis
   
 
 
Algemeen  
Criteria  
   
  Contact
Hoofdkenmerk is dat elke participant de enige grote, soms overkoepelende, landelijke particuliere organisatie is die ‘haar’ terrein van de volksgezondheid geheel of vrijwel geheel omvat.  
 
En dan zijn er nog 9 aanvullende criteria:
 
1 In hoofdzaak werkzaam zijn op het gebied van de volksgezondheid.
Voor de hantering van het begrip volksgezondheid wordt uitgegaan van het brede maatschappelijk belang, zoals activiteiten in het kader van preventie, onderzoek (voor zover dit niet elders geschiedt), deskundigheidsbevordering, voorlichting en verhoging van de kwaliteit van leven. Curatieve taken worden daaronder niet begrepen; de financiering hiervan is geregeld via de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) en de ziektekostenverzekeringen.

 
Het karakter van een fondsenwervende organisatie hebben.
Het gaat om organisaties die:
autonoom en onafhankelijk zijn
in Nederland gevestigd zijn
volledige rechtsbevoegdheid hebben
erkend zijn als een algemeen nut beogende organisatie zoals bedoeld in art. 24 lid 4 van de Successiewet 1956
 
Overwegend nationaal gericht zijn.
De organisatie moet een overwegend nationale oriëntatie hebben en in belangrijke mate effect hebben op doelen welke de nationale volksgezondheid dienen. Zij moet er zijn voor ieder binnen Nederland, zonder onderscheid naar godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras en geslacht.
 
Een breed en vast maatschappelijk draagvlak hebben.
Dit kan blijken uit:
het aantal vrijwilligers dat zich regelmatig en bij voortduring inzet
het aantal belangenorganisaties dat aan de organisatie gelieerd is
het aantal donateurs en/of leden, voor wie tegenover de donatie of contributie geen aanspraak bestaat op een tegenprestatie
 
Geen overheersende overheidsfinanciering of andere structurele financiering hebben. De organisatie moet onafhankelijk van structurele financiële steun van de overheid en/of andere financiers haar doelstelling kunnen uitvoeren. Project- en/of themafinanciering, in tijd beperkt tot één of enkele jaren, niet meegerekend. Bijvoorbeeld (aanvullende) projectfinanciering uit AWBZ, ZFW, Fonds PGO etc.
 
Een wezenlijk bedrag aan inkomsten uit eigen activiteiten hebben.
Norm: ten minste de helft van het evenredig deel aan (niet-incidentele) inkomsten uit eigen fondsenwervingsactiviteiten. Een organisatie dient een zelfstandig bestaan te kunnen leiden zonder financiële bijdrage uit de SLV.
 
Geen inkomsten hebben uit concurrerende landelijke loterijen/kansspelen (tenzij uitdrukkelijk door het bestuur van de SLV goedgekeurd).
 
Een adequate verhouding vrij besteedbaar vermogen/bestedingen hebben.
De verhouding van het vrij besteedbare vermogen ten opzichte van de jaarlijkse bestedingen moet maximaal 1 bedragen.
 
Het CBF-Keur hebben.

Deze criteria gelden zowel voor de huidige particpanten en als voor de organisaties die willen toetreden.

Dat houdt in dat elk jaar opnieuw alle particperende organisaties worden getoetst. Er wordt dan ook gekeken naar de verhouding tussen vrij besteedbaar inkomen t.o.v. de bestedingen. Als een participant daaraan niet meer voldoet gelden de volgende bepalingen:
Een verhouding tussen 1 en 1,5 tolerabel maar verdient aandacht.
Bij een verhouding tussen 1,5 en 2 wordt een korting van 1/3 van het te ontvangen evenredig deel toegepast.
Bij een verhouding tussen 2 en 3 wordt een korting van 2/3 van het te ontvangen evenredig deel toegepast.
Bij een verhouding boven 3 wordt de betreffende organisatie als participant uitgesloten.

Nieuwe participanten dienen bij toetreding aan de verhouding van maximaal 1 te voldoen.

Overigens is de toetreding van nieuwe participanten beperkt: er kan per jaar maar één participant toetreden. En een nieuw aangesloten organisatie wordt voor wat de financiële verdeling betreft pas in het derde jaar een ‘volwaardig’ participant. In het eerste jaar krijgt het slechts een derde van het ‘evenredig deel’, in het tweede jaar twee derde. In het derde jaar het complete bedrag.

Als een organisatie van participatie wordt uitgesloten geldt de omgekeerde regeling. Men neemt pas in het derde jaar definitief afscheid, in de jaren daarvoor wordt financieel ‘afgebouwd’: van tweederde, via één derde naar nul.

Tenslotte: een organisatie met een werkterrein dat overlappingen kent met het werkterrein van een al aangesloten fonds kan geen participant worden. Dat zou immers de met moeite tot stand gebrachte verdeling van de loterijopbrengsten over de verschillende terreinen van de gezondheidszorg verstoren. Twee fondsen die zich bezighouden met bijv. revalidatie of nierziekten zouden ervoor zorgen dat er in verhouding naar die terreinen een dubbele financiële bijdrage zou gaan. En bovendien zou dat, naar het oordeel van het bestuur, tot versnippering kunnen leiden. Maar dan is er demogelijkheid van het Fonds Bijzondere Uitkeringen. Want een als participant afgewezen organisatie kan wel een aanvraag indienen voor een bijdrage aan incidentele projecten.

Nadere informatie is te verkrijgen bij het secretariaat.
Postbus 627, 3800 AP Amersfoort, tel. 033 - 43 41 201 (bereikbaar op maandag, dinsdag, donderdag), e-mail slv@longfonds.nl.